Tot grote ergernis van het documentaire-team sta ik enorm te treuzelen. Onderweg naar Kingtom Ghetto, rond de vuilnisbelt, moeten we door een van de grote sloppenwijken in de stad. We lopen door de nauwe steegjes van golfplaten huisjes. Iedere keer als we een hoekje omkomen hangt er een nieuwe groep kinderen om mijn benen. “Snap me! Snap me!” (In het Engels) Mijn fotocamera brandend in mijn rechterhand, een open zakje water in mijn linker. Ietwat onhandig probeer ik het zakje dicht te knijpen zodat ik geen drinkwater mors. Tegelijkertijd blijf ik schieten. Milton, de hoofdpersoon van onze documentaire, roept nog eens. Hij had de ‘gangsters’ in het getto voorbereid op onze komst en wil ze niet laten wachten.



Kinderen in de sloppenwijk naast Kingtom Ghetto in Freetown, Sierra Leone
Veertig jaar oude beelden bepalen nog steeds ons beeld over Afrika
“Getto”, “gangster” en “sloppenwijk”, drie ver-van-mijn-bed-show termen voor de gemiddelde Nederlander. Termen die de ideeën die toch al de ronde doen over het Afrikaanse continent waarschijnlijk bevestigen. Het imago van het continent is verre van positief. En dat is niet gek; de media besteden nauwelijks aandacht aan Afrika en als er al bericht wordt, ligt de nadruk veelal op problemen.
In 1985 zetten westerse artiesten zich met benefietconcert Live Aid in om geld in te zamelen voor hongersnood in Ethiopië. Met een glansrol voor de media, die het evenement in meer dan 150 landen live uitzonden. “The closest thing to hell on earth”, luidde de voice-over van Michael Buerk in zijn indringende BBC-reportage, terwijl beelden van graadmagere babybeentjes, kinderen rennend voor eten en volwassenen in lange rijen wachtend op dekens en kleding het scherm vulden. “Spullen uit Europa afkomstig”, klinkt de stem op de achtergrond.
Live Aid werd een succes. Naar schatting werd er meer dan 125 miljoen dollar opgehaald. Maar nu, bijna veertig jaar na dato, zijn het dezelfde media die destijds aan het wereldwijde succes van live-aid bijdroegen, die nog altijd het beeld van hulpbehoevend, gebroken continent neerzetten.
In Een Wolkenkrabber op de Savanne schrijft Koert Lindijer over 40 jaar Afrikacorrespondentschap en over de hulpindustrie die hij op zag komen. “Hulpverlener in Afrika werd een beroep voor hippe jonge mensen die hielpen een hulpindustrie op te bouwen die vroeger het werkterrein was van missionarissen. … Miljoenen Afrikanen verloren niet hun leven maar vaak wel hun waardigheid. Want als bijeffect van de goede bedoelingen kregen Afrikanen het imago van bedelaars.”
Uit onderzoek van Mirjam Vossen (2018) naar armoede in de media blijkt dat een overgrote meerderheid van de journalisten (72%) op de hoogte is van de afname van extreme armoede wereldwijd. Bij het Nederlandse publiek is dit slechts 18%. Waarom kan de media niet bijdragen aan een accurater beeld van Afrika?
Bolle Jos en vooroordelen die bijna mijn documentaire om zeep hielpen
Bijna, had een van de meest gezochte criminelen van Europa roet in het eten gegooid van ons onschuldige afstudeerproject in Freetown, Sierra Leone. We stonden aan het begin van ons maakproces van een documentaire over dichters en muzikanten die door middel van hun woorden de wereld om hen heen een stukje mooier willen maken.
Tot twee maanden voor ons beoogde vertrek naar Sierra Leone kende niemand het kleine West-Afrikaanse land. In eerste instantie voelde het als cadeautje voor deze journalist in spe dat Sierra Leone ineens meerdere keren in een week het acht-uur-journaal haalde.
‘Bolle Jos vangen wordt mijn afstudeerproject’, was dan ook mijn grapje voordat ik een appje van Marnel Breure, mijn contactpersoon in Freetown, hardop voorlas thuis aan de eettafel. “De combinatie Nederland en journalistiek is erg problematisch en momenteel niet aan te raden.” Nadat RTL-journalist Sophie van Leeuwen in Sierra Leone dagenlang ondervraagd was voor het maken van een verhaal over Jos Leijdekkers, had ik toch even bij Marnel gecheckt of ons plan wel verstandig was.
Mamma raakt meteen in paniek. In haar doemscenario vliegen de kogels me om de oren. En ze is niet de eerste of de enige die niet erg enthousiast is over het documentaire-idee. De vader van mijn collega in dit project had al eens een bericht voorgelezen over een Nederlander die tijdens een reis door Oost-Afrika om het leven gekomen was. “En daarom wil ik niet dat je naar Afrika gaat!” Had hij uitgeroepen.
Hoe ga ik het tegendeel bewijzen?
Nu sta ik op een vuilnisbelt. Overal branden kleine vuurtjes en door de dampende massa onder mijn voeten is de strakblauwe lucht grijs van de rook. Twee kinderen met grote bakken op hun hoofd verkopen ons mango’s en nog een zakje water terwijl Milton iedereen bij elkaar roept voor een muzikaal tafereel dat ik onmogelijk in woorden kan beschrijven.

Meike en Xlarge van het documentaire team onderweg naar de Kingtom Ghetto
Ondertussen heeft een van de vrouwen in het getto zichzelf benoemd tot mijn persoonlijke bodyguard. Ze wijst me precies waar ik wel en vooral niet de afvalberg op kan klimmen voor een mooi shot van boven. Ik denk terug aan mijn uitgebreide risicoanalyse waarmee ik de maand voor vertrek alle mogelijke gevaren heb proberen te weerleggen uit de lucht heb moeten slaan. Mijn gevoel hier is tegenstrijdig. Mijn hart huilt, en toch overheerst een gevoel van veerkracht en samenhorigheid bij de mensen die ik ontmoet.

Saffie (13) en haar vriendje (9) verkopen mango’s en water op en rond de vuilnisbelt
Dat is het gevoel waarmee ik de foto maak van de 13-jarige Saffie, het meisje met de mango’s, en haar negenjarige vriendje die zakjes water draagt. Ik vind dat de samenhorigheid van hun lachende gezichten afspat. Eenmaal terug in Nederland, blijkt dat westerse ogen slechts een vuilnisbelt zien. Ik krijg mijn positieve gevoelens over deze mensen niet op beeld gevangen noch op papier uitgeschreven. In ieder geval niet met de vuilnisbelt als decor.
Afrikanen zelf helpen niet altijd
Ik kan me het precieze moment herinneren waarin Milton, die naast hoofdpersoon onze belangrijke lokale partner is, de documentaire wel heel erg naar zijn hand probeerde te zetten. Saboteren, wil ik het zelfs noemen. We filmen in een onaf gebouw dat waarschijnlijk al jaren in de houten stijgers staat. Een hele tijd is dit zijn vaste woonplaats geweest. In een verhaal over de gevaren van het leven op deze plek wijst hij naar het plafond alsof dit ieder moment naar beneden stort. “Het is hier net Gaza, je bent je leven niet zeker”, zegt hij op beeld. Een aantal keer herhaalt hij de uitspraak waar mijn mond van open valt. Gaat de vergelijking met Gaza waar het bommen regent hier echt op? Dromerig loopt hij door het trappenhuis. Zijn hand laat hij over de muren glijden. Plots staat hij stil. Hij zucht een keer diep en slaat drie keer filmisch met zijn vuist op het beton.
Ik combineer deze gebeurtenis met een gesprek dat we eerder met Milton hadden. Hij bekende de documentaire gezien te hebben als een manier om geld te verdienen. Tranen stroomden over zijn wangen toen hij over zijn leven in armoede vertelde, en over zijn ouders die om waren gekomen bij de burgeroorlog die begin deze eeuw na tien jaar ten einde kwam. Geef hem eens ongelijk, zou een gedachte kunnen zijn.
Milton helpt hiermee niet in mijn missie om een progressief verhaal over Afrika te vertellen. Een verhaal waarin ik de veerkracht van deze man wil laten zien, en een narratief wil belichten dat vanuit de journalistiek vaak wordt vergeten. Het verhaal over Afrikanen die zelf met initiatieven komen om hun wereld een betere plek te maken. Milton is een prachtig voorbeeld. Vanuit de straat omhooggeklommen door middel van poëzie en nu als voorzitter van Poets4Peace terug willen geven aan de straat door ze een moment muziek en lol te geven op die discutabele plek, de vuilnisbelt. En desondanks kiest hij ervoor om medelijden op te wekken.

Milton in het gebouw waar hij sliep doen hij op straat woonde
Alle stereotypes die door de media opgehouden worden over Afrika beschrijven verre van het gehele continent, maar bestaan wel. Veel van deze frames worden door Afrikanen zelf in stand gehouden. Door de bevolking, zoals wij dit tijdens het filmen van onze documentaire meemaakten. Maar ook door leiders van Afrikaanse landen wordt het beeld van hulpbehoevend continent opgehouden. Zo lang armoede, conflict en ziektes hen buitenlands geld oplevert, herhalen zij de negatieve beelden op internationale conferenties. Dat blijkt ook uit een onderzoek naar de instandhouding van westerse negatieve percepties over Afrika uit 2015. Een extra oorzaak van het negatieve Afrikaanse imago. Eentje om rekening mee te houden, als journalist en als media in het geheel.
De klassieke nieuwswaarden helpen ook niet
In het voorjaar van 2022 waarschuwde voedselexpert Prem Bindraban in Trouw dat de gevolgen van de oorlog in Oekraïne in Afrika dodelijker zouden kunnen zijn dan het geweld in Oekraïne zelf. Door de oorlog blijven de graanprijzen stijgen en dit zorgt voor toenemende honger in Oost-Afrika. Toch krijgt deze realiteit geen plekje in de westerse media. Uit een Brits onderzoek uit 2023 blijkt dat 91% van de ondervraagden bekend was met de oorlog in Oekraïne terwijl slechts 23% afwist van de honger in de Hoorn van Afrika.
Deze kloof in publieke bewustzijn is te verklaren vanuit de klassieke journalistieke nieuwscriteria: fysieke nabijheid en impact op eigen land verhogen de kans dat een onderwerp in het nieuws komt. De oorlog in Oekraïne voldoet aan deze voorwaarden, de voedselcrisis in Afrika veel minder.
Mediabedrijven maken een afweging. Hoeveel geld wordt er gestopt in een gebied dat geen interesse opwekt? Europa telt talloze correspondenten waarin zelfs het kleinste land, Vaticaanstad, een eigen verslaggever heeft bij de NOS. Dit terwijl een correspondent in Afrika vaak het gehele continent onder zijn of haar hoede heeft.
Snel nieuws met een duidelijk begin en eind scoort beter dan complexe lange-termijnproblemen zoals een conflict of een trage lang aanhoudende droogte of hongersnood. Door een gebrek aan voorkennis bij het westerse publiek en een gebrek aan correspondenten om de complexiteit van situaties in Afrika te duiden, komen veel mogelijke verhalen niet onder de aandacht.
Dus zelfs als ik in het verhaal over een Sierra Leoonse organisatie die muziek komt maken met de mensen op de vuilnisbelt het positieve en veerkrachtige gevoel weet te vangen, is dit niet een verhaal dat het nieuws gaat halen.
Hoe dan wel? In de trant van constructieve journalistiek denk ik twee mogelijke veranderingen gevonden te hebben. Eén de journalist en één voor de journalistiek.
De taak van de journalist – Door Afrikaanse ogen
Als we niet weten wat er gebeurt kunnen we niet handelen. Buitenlandse journalisten mogen Gaza nog altijd niet in, waardoor Palestijnse journalisten de oren en ogen van de rest van de wereld geworden zijn. Onder andere Palestijnse journalist Motaz Azaiza deelde aan het begin van de oorlog al zijn beeldmateriaal op zijn eigen sociale mediakanaal. Het is ongefilterd, hartverscheurend beeldmateriaal waarop hij de wereld laat meekijken hoe mensen onder het puin naar overlevenden van de bombardementen opzoek zijn. Grote nieuwsorganisaties zoals BBC, Reuters en Al Jazeera werken met de beelden. Ook bij de NOS zijn de beelden van Motaz te zien.
Koert Lindijer schrijft in zijn boek dat hij in 40 jaar correspondentschap door Afrikaanse ogen moest leren kijken. Hij leerde niet als parachutist naar het continent te kijken, maar als langzame nomade door het continent te trekken en van binnenuit te berichten. Door lokale makers een pen of een camera te geven en mee te nemen in de berichtgeving voor het westen, laten we letterlijk lokale ogen spreken.
Terug naar het getto. Waar nog altijd de klanken van zingende gangsters (mensen, artiesten) de vuilnisbelt over galmen. Afrobeats. Met mijn driepoot maak ik vanaf een afstandje wat beelden. De kleine camera en het geluid hebben we aan het team uit handen gegeven. Met het idee de samenwerking met het lokale team een stapje verder te tillen, en omdat ik zelf bijna niet tussen de zingende menigte kom. Dat wordt een groot succes. De beelden die we later terugzien hadden we zelf nooit zo puur en ongefilterd kunnen maken. Het is volgens mij heel letterlijk wat Koert Lindijer omschreef toen hij het had over ‘door Afrikaanse ogen.’
De taak van de journalistiek – Eén keer negatief, twee keer positief
In de podcast De Dag van de NOS zei Afrika correspondent Elles van Gelder het mooi. “Eigenlijk moeten we twee positieve verhalen maken vanaf het Afrikaanse continent om tegenover één negatief verhaal te kunnen zetten, puur omdat het beeld al zo stereotyperend is.” Een doel dat bijna onhaalbaar is. Want kies maar eens als journalist in Afrika waar je naartoe op reportage wil. Het conflict in Congo duiden, of toch de muziekindustrie in West-Afrika laten zien. En ook na die keuze is er tussen al het geweld dichter bij huis nauwelijks een plekje in het journaal over.
Kingtom Ghetto heeft mijn hart laten huilen, maar wat heb ik er gelachen. Kinderen die niet naar school kunnen omdat ze op straat mango’s verkopen is onbegrijpelijk verdrietig. Maar wat zou ik na alle vooroordelen vanuit Nederland over mijn reis naar Sierra Leone graag het beeld laten zien zoals ik dat voel. Vanaf het moment dat ik in eenzelfde blauw shirtje als de rest van het team aantrok, voelde ik me onderdeel en had ik het idee dat ik even door hun ogen mocht kijken. Dan voel je de veerkracht van zo’n land, waar men ondanks de soms totale shitshow zoekt naar gezelligheid. Een samenhorigheid en een gevoel van sociale controle die in Nederland niet meer op die manier te vinden is. Door dat blauwe shirtje heb ik me geen moment onveilig gevoeld, in het land waar een bluetooth boxje de hele wereld laat stralen.
Afrika laat zich niet vangen in onze westerse nieuwswaarden. Het continent in beeld brengen vraagt om een verandering in de vraag wat wij nieuws vinden. Een verandering in wat wij belangrijk vinden, zo wil ik het bijna verwoorden. Binnen de journalistiek maar vanzelfsprekend ook binnen de gehele westerse samenleving.
Zodat conflicten in Congo en Sudan niet worden vergeten. Zodat de gevolgen van klimaatverandering in Afrika ook in het westen gezien worden. En, zodat mijn zingende ‘gangsters’ op de vuilnisbelt de wereld kunnen inspireren.



De drie getto’s waar het team van Milton muziek maakte